Over de Download

Download héél véél informatie over de gemeente Velsen:

Deze Excel download bevat informatie over de gemeente en de 10 wijken en 63 buurten in Velsen voor de jaren 2013 tot en met 2017. Samengevoegd in 1 Excel document met 4 handige presentaties van de informatie:

  1. Een werkblad met alle definities.
  2. Een werkblad met alle meest recente gegevens voor de meer dan 100 onderwerpen voor de gemeente en alle wijken en buurten (dit kan handig zijn omdat enkele gegevens alleen voor meer dan 2 jaar geleden beschikbaar zijn).
  3. Aparte werkbladen per jaar (voor de jaren 2013 tot en met 2017) met alle beschikbare gegevens per gemeente, wijk en buurt.
  4. Aparte werkbladen voor iedere regio (de gemeente en iedere wijk en buurt in de gemeente) met de beschikbare jaren op een rij zodat veranderingen in de tijd goed zichtbaar zijn.

Download hier gratis als voorbeeld het Excel document met de informatie voor de gemeente Waterland. De structuur van het Excel document is voor iedere gemeente identiek. Alleen het aantal wijken en buurten per gemeente en de per regio beschikbare gegevens verschillen (historische informatie kan bijvoorbeeld onvolledig zijn voor bepaalde of wijken of buurten als er een herindeling heeft plaatsgevonden).

Dit document is gemaakt door meerdere open data bronnen te combineren en hieruit informatie te selecteren en handig te organiseren en te presenteren. Er worden regelmatig nieuwe gegevens gepubliceerd waarmee informatie op AlleCijfers.nl en de Excel downloads worden geactualiseerd. Als je de download koopt dan kun je het document en eventuele nieuwere versies hiervan de komende 31 dagen tot 5 keer downloaden.

Er is informatie over onwijs veel onderwerpen. Zoals bevolking (aantal inwoners, leeftijden, burgerlijke staat, allochtonen naar herkomst, geboorte / sterfte), huishoudens (met of zonder kinderen, gemiddelde grootte, bevolkingsdichtheid), woningen (aantal woningen, gemiddelde waarde, woningen naar type, woningen naar bezit, bouwjaar), inkomen (aantallen, gemiddeld inkomen, lage en hoge inkomens, gebruik sociale zekerheid), energieverbruik (elektriciteitsverbruik en aardgasverbruik met indelingen), bedrijfsvestigingen, autobezit (naar leeftijd en brandstoftype), nabijheid voorzieningen (huisarts, supermarkt, school,…) en informatie over het gebied (meest voorkomende postcode(s), oppervlakte land en water, mate van stedelijkheid). Dit zijn de (uitgebreide) bron gegevens van de informatie zoals weergegeven op AlleCijfers.nl.

Overzicht van de informatie in het Excel document:

Veld naam Definitie Toelichting
Brondata over de jaren 2017, 2016, 2015, 2014 en 2013. Op basis van de CBS StatLine publicaties met kerncijfers voor wijken en buurten sinds 2013. Verrijkt met andere data bronnen. Heel veel informatie over alle gemeenten, wijken en buurten in Nederland! Gegevens laatst geactualiseerd: 12 mei 2018.
Wijken en buurten Regio: De gemeenten in Nederland zijn onderverdeeld in wijken en buurten. Buurten vormen het laagste regionale niveau. Wijken zijn optellingen van één of meer aaneengesloten buurten. De gemeente bepaalt zelf de indeling in wijken en buurten. Het CBS coördineert landelijk deze indeling. Wijk: Onderdeel van een gemeente waarin een bepaalde vorm van bodemgebruik of bebouwing overheerst. Bijvoorbeeld: industriegebied, woongebied met hoogbouw of laagbouw. Een wijk bestaat uit één of meerdere buurten.
Buurt: Onderdeel van een gemeente, dat vanuit bebouwingsoogpunt of sociaaleconomische structuur homogeen is afgebakend. Homogeen wil zeggen dat één functie dominant is, bijvoorbeeld woonfunctie (woongebied), werkfunctie (industriegebied) of recreatieve functie (natuurgebied). Functies kunnen echter ook gemengd voorkomen
Provincie Provincie waar de gemeente in ligt. Informatie toegevoegd op gemeente niveau.
Gemeente informatie Korte informatie over de gemeente op basis van wikipedia. Biedt met name extra informatie bij gemeentelijke herindeling.
WGR gebied WGR (Wet gemeenschappelijke regelingen) -gebiedsnaam waar de gemeente in ligt. De WGR is een samenwerkingsgebied van gemeenten, provincies en waterschappen. Informatie toegevoegd op gemeente niveau.
Verkiezingsuitslagen Verkiezingsuitslagen: uitslagen op gemeente niveau van verkiezingen. Uitslagen van de landelijke verkiezingen op gemeente niveau en uitslagen van gemeenteraadsverkiezingen. Alle uitslagen sinds 2010.
Postcodes Meest voorkomende postcodes in de gemeente, wijk of buurt. Postcodes zijn zelf afgeleid voor de wijk en gemeente op basis van de meestvoorkomende postcode in de buurt.
Soort regio Gemeente, Wijk of Buurt.
Regio code Unieke code van de gemeente, wijk of buurt Gemeentecode heeft 4 posities, voorafgegaan door GM. Wijkcode heeft 6 posities: gemeentecode (4) + wijkcode (2), voorafgegaan door WK. Buurtcode heeft 8 posities: gemeentecode (4) + wijkcode (2) + buurtcode (2), voorafgegaan door BU.
Regio code cijfers Unieke code van de gemeente, wijk of buurt, alleen cijfers. Aangepast om binnen een gemeente te kunnen sorteren.
Aantal inwoners De bevolking van Nederland op 1 januari. In de bevolkingsaantallen zijn uitsluitend personen begrepen die zijn opgenomen in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente. In principe wordt iedereen die voor onbepaalde tijd in Nederland woont, opgenomen in het bevolkingsregister van de woongemeente. Personen die tot de bevolking van Nederland behoren, maar voor wie geen vaste woonplaats valt aan te wijzen, zijn opgenomen in het bevolkingsregister van de gemeente Den Haag.
Mannen Aantal mannen. Aantal inwoners: Geslacht.
Vrouwen Aantal vrouwen. Aantal inwoners: Geslacht.
Leeftijd 0 tot 15 Aantal inwoners dat op 1 januari 0 tot 15 jaar oud is. Aantal inwoners: Leeftijdsgroepen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Leeftijd 15 tot 25 Aantal inwoners dat op 1 januari 15 tot 25 jaar oud is. Aantal inwoners: Leeftijdsgroepen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Leeftijd 25 tot 45 Aantal inwoners dat op 1 januari 25 tot 45 jaar oud is. Aantal inwoners: Leeftijdsgroepen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Leeftijd 45 tot 65 Aantal inwoners dat op 1 januari 45 tot 65 jaar oud is. Aantal inwoners: Leeftijdsgroepen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Leeftijd 65 en ouder Aantal inwoners dat op 1 januari 65 jaar of ouder is. Aantal inwoners: Leeftijdsgroepen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Ongehuwd Het aantal inwoners dat op 1 januari ongehuwd is. De burgerlijke staat ongehuwd geeft aan dat een persoon nog nooit een huwelijk heeft gesloten of een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Aantal inwoners: Burgerlijke staat. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in tientallen.
Gehuwd Het aantal inwoners dat op 1 januari gehuwd is. De burgerlijke staat gehuwd ontstaat na sluiting van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap. Tot de gehuwden worden ook personen gerekend die gescheiden zijn van tafel en bed, want zij blijven formeel gehuwd. Aantal inwoners: Burgerlijke staat. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in tientallen.
Gescheiden Het aantal inwoners dat op 1 januari gescheiden is. De burgerlijke staat gescheiden ontstaat na ontbinding van een huwelijk door echtscheiding of na ontbinding van een geregistreerd partnerschap anders dan door het overlijden van de partner. Personen die gescheiden zijn van tafel en bed worden tot de gehuwden gerekend. Aantal inwoners: Burgerlijke staat. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in tientallen.
Verweduwd Het aantal inwoners dat op 1 januari verweduwd is. De burgerlijke staat verweduwd ontstaat na ontbinding van een huwelijk of geregistreerd partnerschap door overlijden van de partner. Aantal inwoners: Burgerlijke staat. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in tientallen.
Westers totaal Aantal westerstotaal. Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in de werelddelen Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika en Oceanië of Indonesië of Japan. Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin. Aantal allochtonen: Westers. Allochtoon: Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Eerste generatie allochtoon: Persoon die in het buitenland is geboren met ten minste één in het buitenland geboren ouder. Tweede generatie allochtoon: Persoon die in Nederland is geboren met ten minste één in het buitenland geboren ouder. Allochtonen worden onderverdeeld in westers en niet-westers op grond van hun geboorteland. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Niet Westers totaal Aantal nietwesterstotaal. Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in de werelddelen Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije. Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden allochtonen uit Indonesië en Japan tot de westerse allochtonen gerekend. Het gaat vooral om mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin. Aantal allochtonen: Niet Westers. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Autochtoon Zelf berekende waarde op basis van het aantal inwoners min het aantal ‘WestersTotaal’ min het aantal ‘ Niet Westers Totaal’. Aantal autochtonen. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 kloppen helaas niet. De berekening is fout doordat de waarden voor de verschillende groepen allochtonen in 2013 en 2014 een percentage van het totaal aantal inwoners zijn.
Marokko Aantal Marokko. Aantal allochtonen: Marakko. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Antillen en Aruba Aantal Nederlandse Antillen En Aruba. (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba
Betreft een samentelling van de eilanden die tot het grondgebied van de Nederlandse Antillen en Aruba van vóór 10 oktober 2010 behoorden.
Het gaat om de eilanden Bonaire, Curaçao, Saba, Sint-Eustatius, Sint-Maarten en Aruba.
Aantal allochtonen: Nederlandse Antillen En Aruba. Vanaf 10 oktober 2010 zijn de Nederlandse Antillen ontbonden. Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat dan uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Alle eilanden hebben een nieuwe status. Curaçao en Sint Maarten zijn nieuwe landen binnen het Koninkrijk. Met een ‘Status aparte’ binnen het Koninkrijk zijn Curaçao en Sint Maarten autonome landen. De landen hebben een zelfstandig bestuur en zijn niet meer afhankelijk van Nederland. De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ook wel Caribisch Nederland, hebben een diepere band met Nederland en functioneren als bijzondere gemeente van Nederland.Toelichting Kerncijfers wijken en buurten 2016 11 Op 1 januari 1986 werd Aruba afgescheiden van de Nederlandse Antillen. Sinds die datum is Aruba een nieuw land binnen het Koninkrijk de Nederlanden. Met een ‘Status aparte’ binnen het Koninkrijk is Aruba een autonoom land. Aruba heeft een zelfstandig bestuur en is niet meer afhankelijk van Nederland. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Suriname Aantal Suriname. Aantal allochtonen: Suriname. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Turkije Aantal Turkije. Aantal allochtonen: Turkije. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Overig niet Westers Aantal overig niet westers. Totaal niet-westers minus Marokko, (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba, Suriname en Turkije. Aantal allochtonen: Overig Niet Westers. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn een percentage van het totaal aantal inwoners.
Geboorte totaal Het aantal levendgeborenen van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende jaar. Levendgeborenen zijn kinderen die na geboorte enig teken van leven hebben vertoond, ongeacht de zwangerschapsduur. Aantal geboorte totaal.
Geboorte relatief Het aantal levendgeborenen van 1 januari tot en met 31 december, per 1000 inwoners op 1 januari van het betreffende jaar. Aantal geboorte relatief. Het relatieve aantal geboorten kan hoger uitvallen dan verwacht op basis van het inwonertal. Het relatieve cijfer betreft namelijk het aantal geboorten gedurende het jaar ten opzichte van het aantal inwoners op 1 januari. In nieuwbouwwijken kan het aantal inwoners sterk groeien in een jaar. Zo kunnen er in 1 jaar 10 kinderen geboren worden in een wijk waarin op 1 januari slechts 10 inwoners wonen, maar aan het eind van het jaar bijvoorbeeld 200 inwoners.
Sterfte totaal Alle overledenen van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende jaar waarbij een bevoegde arts een overlijdensakte heeft ondertekend. Aantal sterfte totaal.
Sterfte relatief Het aantal overledenen van 1 januari tot en met 31 december, per 1000 inwoners op 1 januari van het betreffende jaar. Aantal sterfte relatief. Het relatieve aantal overledenen kan hoger uitvallen dan verwacht op basis van het inwonertal. Het relatieve cijfer betreft namelijk het aantal overledenen gedurende het jaar ten opzichte van het aantal inwoners op 1 januari. In een buurt met een verpleeghuis kunnen op 1 januari 100 mensen wonen, maar door overlijdensgevallen komen er steeds nieuwe inwoners (bewoners van het verpleeghuis). Zo kan het aantal overlijdensgevallen ook 100 zijn, terwijl er inmiddels al vele mensen in die buurt (of dat verpleeghuis) hebben gewoond.
Huishoudens totaal Totaal particuliere huishoudens. Particuliere huishoudens bestaan uit één of meer personen die alleen of samen in een woonruimte zijn gehuisvest en zelf in hun dagelijks onderhoud voorzien. Naast eenpersoonshuishoudens onderscheiden we meerpersoonshuishoudens (niet-gehuwde paren, niet-gehuwde paren met kinderen, echtparen, echtparen met kinderen, eenouderhuishoudens en overige huishoudens). De institutionele huishoudens worden hiertoe niet gerekend.
Eenpersoonshuishoudens Aantal eenpersoonshuishoudens. Een particulier huishouden bestaande uit één persoon. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Huishoudens zonder kinderen Aantal huishoudens zonder kinderen. Meerpersoonshuishoudens zonder kinderen bestaan uit niet-gehuwde paren zonder kinderen, echtparen zonder kinderen en overige huishoudens. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Huishoudens met kinderen Aantal huishoudens met kinderen. Meerpersoonshuishoudens met kinderen bestaan uit niet-gehuwde paren met kinderen, echtparen met kinderen en eenouderhuishoudens. Merk op: de cijfers voor de jaren 2013 en 2014 zijn in procenten.
Gemiddelde huishoudensgrootte Aantal gemiddelde huishoudens grootte. Dit gemiddelde is berekend als het aantal in particuliere huishoudens levende personen gedeeld door het aantal particuliere huishoudens.
Bevolkingsdichtheid Aantal inwoners per vierkante kilometer (km2). Het (niet afgeronde) aantal inwoners per km² land is bepaald door het (niet afgeronde) aantal inwoners op 1 januari te delen door de (niet afgeronde) landoppervlakte. De bevolkingsdichtheid is opgenomen indien er 10 of meer inwoners in de buurt voorkomen.
Woningvoorraad Het totale aantal woningen op 1 januari van het desbetreffende jaar. Een woning is een verblijfsobject met minimaal een woonfunctie en eventueel één of meer andere gebruiksfuncties.
Gemiddelde woningwaarde Gemiddelde woningwaarde (in veelvouden van 1000 Euro) De gemiddelde waarde onroerende zaken van woonobjecten gebaseerd op de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ-waarde). Voor de bepaling van de gemiddelde woningwaarde wordt alleen gebruik gemaakt van die WOZobjecten omschreven als woningen dienend tot hoofdverblijf (WOZ-objectcode 10) en woningen met praktijkruimte (WOZ-objectcode 11) met een waarde groter dan nul euro. De (voorlopig) gemiddelde woningwaarde wordt bepaald met de waardepeildatum van voorgaand jaar, bijvoorbeeld 2018: waardepeildatum 1 januari 2017. Wanneer de woningvoorraad kleiner is dan 20 woningen of het aantal WOZ-objecten kleiner is dan 50 wordt er geen WOZ-waarde opgenomen.
Percentage eengezinswoning Percentage eengezinswoning. Woningen naar type: Er worden twee typen woningen onderscheiden, eengezins en meergezins. Een woning heeft het type meergezins wanneer het samen met andere woningen of (bedrijfs)ruimten een geheel pand vormt. Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen en woningen boven bedrijfsruimten, voorzover deze zijn voorzien van een buiten de bedrijfsruimte gelegen toegangsdeur. Alle overige woningen hebben het type eengezins. Het aantal eengezinswoningen is vermeld als percentage van de totale woningvoorraad en wordt alleen vermeld bij minimaal 20 woningen.
Percentage meergezinswoning Percentage meergezinswoning. Het aantal meergezinswoningen is vermeld als percentage van de totale woningvoorraad en wordt alleen vermeld bij minimaal 20 woningen.
Percentage bewoond Percentage bewoond. Woningen naar bewoning: Een woning is bewoond als er volgens de Basisregistratie Personen (BRP) op peildatum 1 januari minimaal 1 persoon stond ingeschreven op het bijbehorende adres. Alle overige woningen, die wel voor bewoning beschikbaar zijn, worden beschouwd als onbewoond. Het aantal bewoonde woningen is vermeld als percentage van de totale woningvoorraad en wordt alleen vermeld bij minimaal 20 woningen.
Percentage onbewoond Percentage onbewoond. Het aantal leegstaande woningen is vermeld als percentage van de totale woningvoorraad en wordt alleen vermeld bij minimaal 20 woningen.
Koopwoningen Percentage koopwoningen. (let op: er bestaan ook velden met Koopwoning1 en Koopwoning2 maar die gaan over electriciteits en gasverbruik naar eigendom) Woningen naar eigendom: Informatie over huur- en koopwoningen wordt samengesteld uit een koppeling tussen verschillende bronnen. Woningen die eigendom zijn van de (toekomstige) bewoner(s) of in gebruik als tweede woning. Het aantal is vermeld als percentage van het totaal aantal woningen en vermeld bij 20 woningen of meer per buurt en wanneer het aandeel woningen met eigendom onbekend 50 procent of minder bedroeg.
Huurwoningen totaal Percentage huur woningen totaal. Woningen die niet bewoond worden door de eigenaar van de woning. Bij woningen waar geen bewoner geregistreerd is, gaat het om woningen waarvan het aannemelijk is dat de woning bestemd is voor de huurmarkt. Het aantal is vermeld als percentage van het totaal aantal woningen en vermeld bij 20 woningen of meer per buurt en wanneer het aandeel woningen met eigendom onbekend 50 procent of minder bedroeg.
In bezit woningcorporatie Percentage in bezit woningcorporatie. Huurwoningen in eigendom van ‘toegelaten instellingen volkshuisvesting’. Het betreft het aantal huurwoningen waarvan is vastgesteld dat de eigenaar een toegelaten instelling is. Het betreft niet het aantal sociale huurwoningen, omdat er alleen is vastgesteld wie de eigenaar is en er niet is gekeken
naar de hoogte van de huurprijs. Toegelaten instellingen: woningbouwvereniging, woningstichting, woningcorporatie. Sociale huurwoningen: woningen met een huur onder de liberalisatiegrens.
In bezit overige verhuurders Percentage in bezit overige verhuurders. Een huurwoning in eigendom van onder andere bedrijven, particulieren en institutionele beleggers. Huurwoningen waarvan het eigendom wel kon worden vastgesteld maar de eigenaar niet vallen hier ook onder. Bedrijven: alle instellingen met een bedrijfsmatig karakter zoals bv’s en nv’s, zelfstandige ondernemers, makelaars en vastgoedhandelsmaatschappijen. Particulieren: alle natuurlijke personen. Institutionele beleggers: pensioenfondsen, beurs-, beleggings- en verzekeringsmaatschappijen.
Eigendom onbekend Percentage eigendom onbekend. Woningen waarvan het eigendom niet afgeleid kon worden op basis van diverse registraties zoals het WOZ-register, Personenregister en het woningbestand Kadaster.
Bouwjaar voor 2000 Percentage bouwjaar voor 2000. Het bouwjaar is het jaar waarin een pand, waarin een woning zich bevindt, oorspronkelijk als bouwkundig gereed is of wordt opgeleverd. Indien in latere jaren wijzigingen aan een pand worden aangebracht, leidt dit niet tot wijziging van het bouwjaar. De bouwjaarklasse heeft hier twee waarden: 1) in of na het jaar 2000 gebouwd; 2) vóór het jaar 2000 gebouwd. Het aantal woningen met bouwjaar vóór 2000, uitgedrukt in hele procenten van het totaal aantal woningen. Het percentage is vermeld bij 20 woningen of meer per buurt.
Bouwjaar vanaf 2000 Percentage bouwjaar vanaf 2000. Het aantal woningen met bouwjaar 2000 of later, uitgedrukt in hele procenten van het totaal aantal woningen. Het percentage is vermeld bij 20 woningen of meer per buurt.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh. Het gemiddeld elektriciteitsverbruik voor alle woningtypen samen. Het gemiddeld jaarverbruik voor elektriciteit op individuele aansluitingen van particuliere woningen,
berekend uit gegevens van de aansluitingenregisters van de energienetbedrijven. Collectieve verbruiken van bijvoorbeeld liftinstallaties of hal-/galerijverlichting zijn hierbij niet inbegrepen. Het verbruik is exclusief elektriciteit die eventueel in de particuliere woningen zelf wordt opgewekt bijvoorbeeld door zonnepanelen. De cijfers zijn afgerond op vijftigtallen en worden vermeld bij 6 of meer (bewoonde) woningen per woningtype of type eigendom (huur- of koopwoning).
Gemiddeld elektriciteitsverbruik appartementen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar woningtype voor appartementen. De volgende typen worden onderscheiden: appartement, tussenwoning, hoekwoning, twee-onder- één-kap-woning en vrijstaande woning. De typering wordt bepaald door het Kadaster. Appartement: Een geheel van bij elkaar horende vertrekken als afzonderlijke woongelegenheid binnen een grotere
woning waarbij de opdeling van het gebouw heeft plaatsgevonden volgens het appartementsrecht.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik tussenwoningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar woningtype voor tussenwoningen
Gemiddeld elektriciteitsverbruik hoekwoningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar woningtype voor hoek woningen.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik tweeondereenkap woningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar woningtype voor twee onder een kap woningen.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik vrijstaande woningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar woningtype voor vrijstaande woningen.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik kooprwoningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar eigendom voor huur woningen. De volgende typen eigendom worden onderscheiden: huur- of koopwoning. Deze informatie wordt samengesteld uit een koppeling tussen de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en het WOZ-register met een aanvulling uit het woningbestand van het Kadaster. Huurwoning: Woning waarvan geen van de bewoners de eigenaar is.
Gemiddeld elektriciteitsverbruik huurwoningen Gemiddeld elektriciteitsverbruik totaal in kWh naar eigendom voor koop woningen. Woning waarvan minimaal één van de bewoners de eigenaar is.
Gemiddeld aardgasverbruik totaal Het gemiddeld aardgasverbruik in m3 voor alle woningtypen samen. Het gemiddeld jaarverbruik voor aardgas van particuliere woningen berekend uit gegevens van de aansluitingenregisters van de energienetbedrijven. De berekening is inclusief woningen die zijn aangesloten op stadsverwarming. Deze woningen hebben een zeer laag of zelfs nulverbuik voor aardgas. Hierdoor valt in gebieden waar stadsverwarming aanwezig is het gemiddeld aardgasverbruik van woningen lager uit dan in gebieden zonder stadsverwarming. De cijfers zijn afgerond op vijftigtallen en worden vermeld bij 6 of meer (bewoonde) woningen per woningtype of type eigendom (huur- of koopwoning).
Gemiddeld aardgasverbruik appartementen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar woningtype voor appartementen.
Gemiddeld aardgasverbruik tussenwoningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar woningtype voor tussenwoningen
Gemiddeld aardgasverbruik hoekwoningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar woningtype voor hoek woningen.
Gemiddeld aardgasverbruik tweeondereenkap woningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar woningtype voor twee onder een kap woningen.
Gemiddeld aardgasverbruik vrijstaande woningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar woningtype voor vrijstaande woningen.
Gemiddeld aardgasverbruik koopwoningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar eigendom voor huur woningen.
Gemiddeld aardgasverbruik huurwoningen Gemiddeld aardgas verbruik totaal in m3 naar eigendom voor koop woningen.
Percentage woningen met stadsverwarming Percentage woningen met stadsverwarming. Het percentage woningen dat is aangesloten op warmtedistributie (stadsverwarming). Warmtedistributie is een verwarmingssysteem waarbij de woningen in een wijk worden verwarmd via een ondergronds netwerk van warmwaterleidingen. In veel gevallen maakt warmtedistributie gebruik van restwarmte van bijvoorbeeld elektriciteitscentrales. Het aardgasverbruik van deze woningen is in veel gevallen zeer laag of zelfs nul. De hoeveelheid warmte die door aangesloten woningen in een jaar wordt afgenomen van de warmtedistributie is niet beschikbaar. Het percentage wordt vermeld bij 10 of meer (bewoonde) woningen.
Aantal inkomensontvangers Aantal inkomensontvangers: aantal personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens. De cijfers zijn afgerond op honderdtallen. Informatie over het persoonlijk inkomen van personen in particuliere huishoudens waarvan het inkomen bekend is en het inkomen van particuliere huishoudens met een bekend inkomen. De gegevens komen uit het Regionaal Inkomensonderzoek (RIO) van het voorgaande jaar. Het Regionaal Inkomensonderzoek van het CBS is voornamelijk gebaseerd op registers afkomstig van het Ministerie van Financiën (de fiscale registers) en de bevolkingsregisters van de Nederlandse gemeenten (Basisregistratie personen). De Basisregistratie personen is een register waarin alle inwoners van een gemeente behoren te zijn ingeschreven. Uitgezonderd zijn: – inwoners van Nederland die gebruik maken van uitzonderingsregels die gelden met betrekking tot opneming in de bevolkingsregisters (niet-Nederlandse diplomaten en niet-Nederlandse NAVO militairen). Zij mogen zelf bepalen of zij in de bevolkingsregisters ingeschreven worden of niet. – asielzoekers die korter dan zes maanden in de centrale opvang verblijven en nog geen
verblijfsvergunning hebben gekregen.
Inkomen van personen: de doelpopulatie bestaat uit personen in particuliere huishoudens. De inkomensgegevens zijn gebaseerd op het persoonlijk inkomen. Dit omvat de volgende bestanddelen van het bruto-inkomen van een persoon: – inkomen uit arbeid; – inkomen uit eigen onderneming; – uitkering inkomensverzekeringen; – uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag).
Gemiddeld inkomen per inkomensontvanger Gemiddeld inkomen per inkomensontvanger (per 1000 Euro). Het rekenkundig gemiddeld persoonlijk inkomen per persoon op basis van personen met persoonlijk inkomen die deel uitmaken van particuliere huishoudens. De waarde is vermeld bij minimaal 100 personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens per regio.
Gemiddeld inkomen per inwoner Gemiddeld inkomen per inwoner (per 1000 Euro). Het rekenkundig gemiddeld persoonlijk inkomen per persoon op basis van de totale bevolking in particuliere huishoudens. De waarde is vermeld bij minimaal 100 personen in particuliere huishoudens per regio.
40% personen met laagste inkomen 40% personen met laagste inkomen. Aandeel personen in particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 40% met laagste persoonlijk inkomen. Personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het persoonlijk inkomen. De indeling vindt plaats nadat alle personen landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog persoonlijk inkomen. Tot de laagste 40-procent-groep worden de veertig procent personen met het laagste persoonlijk inkomen gerekend. Het persoonlijk inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag). Het percentage is vermeld bij minimaal 100 personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens per regio
20% personen met hoogste inkomen 20% personen met hoogste inkomen. Aandeel personen in particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 20% met hoogste persoonlijk inkomen. Tot de hoogste 20-procent-groep worden de twintig procent personen met het hoogste persoonlijk inkomen gerekend.
Actieven 15 tot 75 jaar Percentage actieven qua inkomen met een leeftijd van 15 tot 75 jaar. Het aandeel personen van 15 tot 75 jaar in particuliere huishuishoudens met als persoonlijke voornaamste inkomensbron inkomen uit arbeid of inkomen uit eigen onderneming, uitgedrukt in hele procenten van het totale aantal personen van 15 tot 75 jaar in particuliere huishoudens. Het percentage is vermeld bij minimaal 100 personen van 15 tot 75 jaar in particuliere huishoudens.
40% huishoudens met laagste inkomen 40% huishoudens met laagste inkomen. Aandeel particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 40% huishoudens met laagste huishoudensinkomen. Particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het besteedbaar huishoudensinkomen. De indeling vindt plaats nadat huishoudens landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog besteedbaar huishoudensinkomen. Tot de laagste 40-procent-groep worden de veertig procent huishoudens met het laagste besteedbaar inkomen gerekend. Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens per regio. Het besteedbaar inkomen van particuliere huishoudens bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met: – betaalde inkomensoverdrachten, zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e); – premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden; – premies ziektekostenverzekeringen; – belastingen op inkomen en vermogen.
20% huishoudens met hoogste inkomen 20% huishoudens met hoogste inkomen. Aandeel particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 20% huishoudens met hoogste huishoudensinkomen. Tot de hoogste 20-procent-groep worden de twintig procent huishoudens met het hoogste besteedbaar inkomen gerekend. Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens per regio.
Huishoudens met een laag inkomen Percentage huishoudens met een laag inkomen Bij de bepaling van laag inkomen is van de particuliere huishoudens een aantal groepen niet meegenomen. Dit betreft enerzijds studentenhuishoudens en anderzijds huishoudens met een onvolledig jaarinkomen. De doelpopulatie bestaat dan ook uit particuliere huishoudens waarvan de hoofdkostwinner (of eventuele partner) het gehele jaar inkomen heeft en niet afhankelijk is van studiefinanciering. Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het inkomen van een huishouden omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen (exclusief eventueel ontvangen huurtoeslag). Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer) herleid naar het prijspeil inToelichting Kerncijfers wijken en buurten 2016 18 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9249 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979 toen deze op zijn hoogst was. Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens behorende tot de doelpopulatie per regio.
Huishoudens sociaal minimum Percentage huishoudens onder of rond het sociaal minimum. Bij de bepaling van het sociaal minimum is van de particuliere huishoudens een aantal groepen niet meegenomen. Dit betreft enerzijds studentenhuishoudens en anderzijds huishoudens met een onvolledig jaarinkomen. De doelpopulatie bestaat dan ook uit particuliere huishoudens waarvan de hoofdkostwinner (of eventuele partner) het gehele jaar inkomen heeft en niet afhankelijk is van studiefinanciering. Het sociaal minimum is het wettelijk bestaansminimum zoals dat in de politieke besluitvorming is vastgesteld. Om te kunnen beoordelen hoe het inkomen zich verhoudt tot het minimum, is aan de hand van de regelgeving vastgesteld welke norm voor het desbetreffende huishouden van toepassing is. De norm voor een (echt)paar met uitsluitend minderjarige kinderen is bijvoorbeeld gelijkgesteld aan de bijstandsuitkering van een echtpaar, aangevuld met de (leeftijdsafhankelijke) kinderbijslag. Bij 65-plussers is het bedrag aan AOW-pensioen als norm gekozen. Het waargenomen inkomen van huishoudens, die uitsluitend op een bijstandsuitkering zijn aangewezen, wijkt in veel gevallen in geringe mate af van de vastgestelde normbedragen. Zouden de normbedragen als inkomensgrens worden gehanteerd, dan valt een deel van deze huishoudens met hun inkomen net boven het sociale minimum. Daarom is niet 100%, maar 101% van het sociaal minimum als inkomensgrens gehanteerd. Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens behorende tot de doelpopulatie per regio.
Personen met bijstand Aantal personen die een bijstandsuitkering ontvangen. Sociale zekerheid: Informatie per gemeente, wijk en buurt over het aantal personen dat een uitkering ontvangt op grond van arbeidsongeschiktheid, bijstand, werkloosheid en AOW. Het is mogelijk dat een persoon aanspraak maakt op meer dan één uitkering. Dat kunnen uitkeringen zijn van eenzelfde soort (bijvoorbeeld twee uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) of twee uitkeringen van verschillende soort (zoals een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een bijstandsuitkering). In het laatste geval wordt de persoon bij beide soorten uitkeringen meegeteld, in het eerste geval slechts één keer (bij de WAO). Bij de categorie personen met een uitkering (totaal) wordt de persoon uiteraard ook maar één keer geteld. Personen die een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB, tot 1 januari 2015)
of de Participatiewet (vanaf 1 januari 2015) ontvangen. Het gaat in deze tabel om algemeen periodieke uitkeringen aan thuiswonende personen tot de AOWleeftijd. Wet werk en bijstand (WWB) Wettelijke sociale voorziening die op 1 januari 2004 in werking is getreden ter vervanging van de
Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) en het Besluit In- en Doorstroombanen (ID-banen). De WWB was tot 1 januari 2015 de wet die in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en bijstand regelde voor mensen die weinig of geen ander inkomen (waaronder andere uitkeringen) hebben en ook weinig of geen vermogen. De wet is per 1 januari 2015 gewijzigd en heet sindsdien Participatiewet.
Participatiewet De Participatiewet vervangt sinds 1 januari 2015 de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet Sociale Werkvoorziening (WsW) en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong).Toelichting Kerncijfers wijken en buurten 2016 19 De wet regelt in Nederland de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het verlenen van bijstand door gemeenten voor mensen die weinig of geen ander inkomen (waaronder andere uitkeringen) hebben en ook weinig of geen vermogen. Werk gaat voor inkomen: oogmerk van de wet is om mensen met of zonder arbeidsbeperking op de kortste weg naar betaald werk te kunnen zetten. De gemeenten voeren de wet uit en bepalen, binnen de wettelijke grenzen, hun eigen beleid. De AOW-leeftijd is de leeftijd waarop recht is ontstaan op het basispensioen van de Rijksoverheid op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tot 1 januari 2013 was de AOW-leeftijd 65 jaar. Vanaf die datum gaat de AOW-leeftijd jaarlijks met één of meerdere maanden omhoog. Zo was de AOW-leeftijd in 2013 65 jaar en één maand, in 2014 was die leeftijd 65 jaar en twee maanden. De AOW-leeftijd wordt vanaf 2016 in stappen van 3 maanden verhoogd en vanaf 2018 in stappen van 4 maanden. Daarmee wordt de AOW-leeftijd 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.
Personen met AO uitkering Aantal personen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Personen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong). Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) Wet die als doel heeft om personen in loondienst te verzekeren van een loonvervangende uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) Een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is met ingang van 1 augustus 2004 geblokkeerd. Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) Wettelijke voorziening in de financiële gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van mensen die geen aanspraak kunnen maken op de WAO/WIA omdat er geen arbeidsverleden is opgebouwd. Dit zijn mensen die arbeidsongeschikt zijn voor de dag dat zij 17 jaar worden of na hun 17e jaar arbeidsongeschikt worden en een opleiding of studie volgen. Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong) Met ingang van 1 januari 2010 is de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) in werking getreden. In tegenstelling tot de ‘oude’ Wajong hebben jongeren met een ziekte of handicap in de eerste plaats recht op hulp bij het vinden en houden van werk. Daaraan gekoppeld kunnen ze een inkomensondersteuning krijgen. De ‘oude’ Wajong blijft gelden voor jongeren die voor 1 januari 2010 een uitkering hebben aangevraagd. Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) De wet geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar nog minstens 35 procent arbeidsongeschikt zijn, recht op een uitkering. De wet is zo opgezet dat een persoon gestimuleerd wordt om naar vermogen te werken. De WIA kent twee regelingen: de regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De IVA regelt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De WGA regelt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen of een minimumuitkering als men niet of onvoldoende werkt.
Personen met WW uitkering Aantal personen die een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Werkloosheidswet (WW) De wet heeft tot doel werknemers te verzekeren tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. De wet voorziet in een uitkering die gerelateerd is aan het laatstverdiende inkomen uit dienstbetrekking. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden van de verzekerde. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) beoordeelt of men voor een WW-uitkering in aanmerking komt.
Personen met AOW uitkering Aantal personen die een basispensioen van de Rijksoverheid ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Algemene Ouderdomswet (AOW): De AOW is een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte verzekering die personen met de AOW-gerechtigde leeftijd een in komen garandeert. In het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is dit een volksverzekering. In principe is iedereen die nog niet de AOW-gerechtige leeftijd heeft bereikt en in Nederland woont, verzekerd voor de AOW. Ook degenen die niet in Nederland wonen, maar in Nederland in dienstbetrekking arbeid verrichten waarover loonbelasting wordt betaald, zijn verzekerd. Voor perioden die men in het buitenland woont, kan men zich verzekeren tegen verlies van aanspraak op een AOW-uitkering. Een uitkering kan, binnen het kader van de wet Beperking export uitkeringen (wet BEU), naar het buitenland worden overgemaakt. De AOW-leeftijd is de leeftijd waarop recht is ontstaan op het basispensioen van de Rijksoverheid op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Tot 1 januari 2013 was de AOW-leeftijd 65 jaar. Vanaf die datum gaat de AOW-leeftijd jaarlijks met één of meerdere maanden omhoog. Zo was de AOW-leeftijd in 2013 65 jaar en één maand, in 2014 was die leeftijd 65 jaar en twee maanden. De AOW-leeftijd wordt vanaf 2016 in stappen van 3 maanden verhoogd en vanaf 2018 in stappen van 4 maanden. Daarmee wordt de AOW-leeftijd 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting
Bedrijfsvestigingen totaal Aantal bedrijfsvestigingen naar activiteit op 1 januari (SBI 2008), exclusief bedrijfsvestigingen in de sectoren overheid, onderwijs en zorg. Gegevens over het aantal vestigingen van bedrijven naar economische activiteit, gebaseerd op de Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI 2008). SBI 2008 is de Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. De SBI 2008 is de versie die vanaf 2008 gebruikt wordt.
In deze tabel is gekozen voor de hoofdactiviteit (SBI) van de vestiging. Niet iedere vestiging van een bedrijf houdt zich bezig met de hoofdactiviteit (SBI) van het bedrijf als geheel. Om te weten welke activiteiten worden uitgevoerd in een regio is de hoofdactiviteit (SBI) van de vestiging gebruikt. In de tabel zijn de vestigingen (naast de totalen) ook naar de volgende zeven sectoren onderverdeeld: A Landbouw, bosbouw en visserij B-F Nijverheid en energie G+I Handel en horeca H+J Vervoer, informatie en communicatie K-L Financiële diensten, onroerend goed M-N Zakelijke dienstverlening R-U Cultuur, recreatie, overige diensten De sectoren overheid, onderwijs en zorg zijn niet opgenomen vanwege de onbetrouwbaarheid van deze gegevens.
De 7 sectoren van het SBI waarnaar de aantallen vestigingen worden onderverdeeld is een combinatie van de hoofdactiviteiten die het CBS gebruikt. Bijvoorbeeld: De definitie van de sector met “Handel en horeca als hoofd activiteit” is die van de onderdelen G+I Handel en horeca uit de SBI (zie bijlage). Dat betekent: I Logies-, maaltijd- en drankverstrekking 55 Logiesverstrekking 56 Eet- en drinkgelegenheden in combinatie met G Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s 45 Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers 46 Groothandel en handelsbemiddeling (niet in auto’s en motorfietsen) 47 Detailhandel (niet in auto’s).
Zoek eventueel op “De structuur van de SBI 2008 – versie 2018” en bezoek de site van het CBS voor de volledige informatie.
De vestigingen zijn ingedeeld naar de gemeentelijke indeling per 1 januari van het verslagjaar, naar wijken en naar buurten. Vestiging: Elke afzonderlijk gelegen ruimte, terrein of complex van ruimten of terreinen, benut door een bedrijf voor uitoefening van de activiteiten. Ieder bedrijf bestaat uit ten minste één vestiging. Meerdere locaties van een bedrijf binnen één postcodegebied worden als één vestiging beschouwd.
Het aantal vestigingen is afgerond op een veelvoud van vijf. In geval van afrondingen kan het voorkomen, dat de totalen niet precies overeenstemmen met de som der opgetelde getallen. In geval de wijk of buurt van het bedrijf onbekend is, wordt dit bedrijf alleen op gemeentelijk niveau meegeteld. De onderverdeling naar sectoren is alleen vermeld bij 20 of meer bedrijven per buurt.
Landbouw bosbouw en visserij Aantal bedrijfsvestigingen met Landbouw, bosbouw en visserij als hoofd activiteit.
Nijverheid en energie Aantal bedrijfsvestigingen met Nijverheid en energie als hoofd activiteit.
Handel en horeca Aantal bedrijfsvestigingen met Handel en horeca als hoofd activiteit.
Vervoer informatie en communicatie Aantal bedrijfsvestigingen met Vervoer, informatie en communicatie als hoofd activiteit.
Financiele diensten onroerendgoed Aantal bedrijfsvestigingen met Financiële diensten, onroerend goed als hoofd activiteit.
Zakelijke dienstverlening Aantal bedrijfsvestigingen met Zakelijke dienstverlening als hoofd activiteit.
Cultuur recreatie overige diensten Aantal bedrijfsvestigingen met Cultuur, recreatie, overige diensten als hoofd activiteit.
Personenautos totaal Aantal personenauto’s totaal. De motorvoertuigen betreffen personenauto’s, bedrijfsauto’s en motortweewielers op 1 januari. Aanhangwagens en opleggers zijn niet meegerekend.
De gegevens zijn ontleend aan de Statistiek van de Motorvoertuigen. Deze gegevens zijn gebaseerd op de kentekenregistratie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Met behulp van deze registratie zijn tellingen gemaakt van alle voertuigen met actuele, houderschapsplichtige kentekens
die op 1 januari in het kentekenbestand voorkomen. Het aantal geregistreerde motorvoertuigen is inclusief voertuigen van lease- en verhuurbedrijven.
Deze motorvoertuigen staan geregistreerd op het adres van het lease- of verhuurbedrijf. De motorvoertuigen die staan ingeschreven op postbusadressen zijn niet meegeteld bij de aantallen van de wijken en buurten, maar wel in de gemeentelijke totalen. De wijken en buurten tellen daarom niet altijd op tot gemeenten. De gemeentelijke totalen komen overeen met de Regionale Kerncijfers Nederland.
Personenauto: Motorvoertuig voor personenvervoer over de weg, exclusief brom- en motorfietsen, met maximaal negen zitplaatsen (met inbegrip van de bestuurdersplaats). Hieronder vallen personenauto’s, bestelwagens ontworpen voor en voornamelijk gebruikt voor het vervoer van reizigers, taxi’s, huurauto’s, ziekenwagens en campers. Lichte wegvoertuigen voor goederenvervoer over de weg, touringcars, autobussen en minibussen vallen hier niet onder. Het begrip personenauto omvat ook taxi’s en huurauto’s met minder dan tien zitplaatsen. Vanaf 1 mei 2009 worden campers gekentekend als personenauto of als bus afhankelijk van het aantal zitplaatsen. Vóór die datum zijn campers geregistreerd als speciale voertuigen.
Personenautos jonger dan 6 jaar Aantal personen auto’s jonger dan 6 jaar.
Personenautos 6 jaar en ouder Aantal personen auto’s 6 jaar en ouder.
Personenautos op benzine Aantal personenauto’s rijdend op benzine.
Personenautos overige brandstof Aantal personenauto’s met overige brandstof. Hieronder vallen: diesel, LPG, elektriciteit (incl. Hybride), waterstof, alcohol, LNG en CNG.
Personenautos per huishouden Aantal personenauto’s per (particulier) huishouden. De personenauto’s worden regionaal ingedeeld met behulp van de kentekenregistratie. Personenauto’s die geregistreerd staan op het adres van het lease- of verhuurbedrijf vertekenen daarom de autodichtheid per huishouden. Het aantal personenauto’s per huishouden is vermeld bij minimaal 50 huishoudens en bij een waarde van maximaal 2,5 personenauto’s per huishouden.
Personenautos naar oppervlakte Aantal personenauto’s naar oppervlakte per km2 Het aantal personenauto’s per km² land.
Bedrijfsmotorvoertuigen Aantal bedrijfsmotorvoertuigen. Bedrijfsmotorvoertuig: motorvoertuig ingericht voor het vervoer van goederen of personen, voor het uitvoeren van bijzondere doeleinden of voor het trekken van opleggers. Hieronder vallen bestelauto’s, vrachtauto’s, trekkers, speciale voertuigen en bussen. Aanhangwagens en opleggers vallen hier niet onder. De cijfers zijn afgerond op vijftallen.
Motorfietsen Aantal motorfietsen. Motorfiets: Voertuig voor het wegverkeer op twee, drie of vier wielen met een onbeladen gewicht van maximaal 400 kg. Dergelijke motorvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³ vallen hieronder, alsook motorvoertuigen met een cilinderinhoud van minder dan 50 cm³ die niet aan de definitie van bromfiets beantwoorden.
Afstand tot huisartsenpraktijk Gemiddelde afstand in kilometers tot een huisartsenpraktijk. Nabijheid voorzieningen: Locatie die bezocht kan worden door personen. De locatie sluit aan bij het gebruik in het dagelijks leven. De afstand tot een voorziening is berekend over verharde, door auto’s te gebruiken wegen, dus niet over fiets- en voetpaden. Overtochten via veerboten zijn hierbij inbegrepen. Er wordt geen rekening gehouden met éénrichtingsverkeer en overige inrijverboden van toegangswegen tot rijks- of provinciale wegen.
De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot de dichtstbijzijnde huisartsenpraktijk, berekend over de weg. De gemiddelde afstand is opgenomen wanneer van 90 procent of meer van de inwoners in de buurt de exacte ligging (x,y-coördinaat) van het adres kon worden vastgesteld. Daarnaast geldt dat het gemiddelde alleen is vermeld bij minimaal 10 inwoners per buurt.
Afstand tot grote supermarkt Gemiddelde afstand in kilometers tot een grote supermarkt. De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot de dichtstbijzijnde grote supermarkt, berekend over de weg. Grote supermarkt: Winkel met meerdere soorten dagelijkse artikelen en een minimale oppervlakte van 150 m2.
Afstand tot kinderdagverblijf Gemiddelde afstand in kilometers tot een kinderdagverblijf. De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot het dichtstbijzijnde kinderdagverblijf, berekend over de weg. Kinderdagverblijf: Plaats waar kinderen van 0 tot 4 jaar gedurende één of meer dagdelen per week het hele jaar door worden opgevangen. Er kan voor meer dan 5 uur per dag van het kinderdagverblijf gebruik gemaakt worden en voor maximaal 10 dagdelen per week.
Afstand tot school Gemiddelde afstand in kilometers tot een school. De gemiddelde afstand van alle inwoners in een gebied tot de dichtstbijzijnde school, berekend over de weg. Het basisonderwijs omvat naast de reguliere basisscholen ook de scholen voor kinderen van mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, de zogenaamde rijdende scholen en de ligplaatsscholen voor varende kleuters. Het speciaal basisonderwijs en de speciale scholen zijn niet meegenomen. De cijfers zijn gebaseerd op het adressenbestand van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met vestigingen van basisscholen. Als bekend is dat er onderwijs gevolgd kan worden op een dependance en dit een effect heeft van meer dan 500 meter op de berekende gemiddelde
afstand, zijn deze gegevens van de buurten en wijken aanvullend geheim gemaakt.
Scholen binnen 3 Km Aantal scholen binnen 3 km. Het gemiddeld aantal scholen binnen 3 kilometer over de weg voor alle inwoners van een gebied.
Oppervlakte totaal De totale oppervlakte als de som van de oppervlakten water en land in hele hectaren (ha.) Voor de bepaling van oppervlaktecijfers is voor de gemeentegrenzen gebruik gemaakt van het digitale gemeentegrenzenbestand van het Kadaster en voor de wijk- en buurtgrenzen binnen de gemeenten van het digitale wijk- en buurtgrenzenbestand van het CBS. Het bestand Burgerlijke gemeentegrenzen van het Kadaster wordt gebruikt als basis voor de gemeentegrenzen. Vanwege kleine grensverschillen tussen beide gemeentegrenzen-bestanden zullen daarom kleine afwijkingen in oppervlakte voor bijna alle gemeenten gerapporteerd worden, ook voor gemeenten waarvan de gemeentegrenzen niet officieel gewijzigd zijn. Met totale oppervlakte per gemeente wordt de oppervlakte inclusief het gemeentelijk ingedeeld buitenwater bedoeld. Bij oppervlaktecijfers over wijken en buurten is de oppervlakte land en water opgenomen exclusief buitenwater. Door dit laatste kan de optelling van de wijken of buurten verschillen met de gepubliceerde totalen per gemeente. Deze verschillen doen zich vooral voor bij kustgemeenten.
Oppervlakte land Aantal oppervlakte land in hele hectaren (ha.). De oppervlakte land is bepaald door het meest recente digitale bestand Bodemgebruik te combineren
met het digitale bestand van gemeente-, wijk- en buurtgrenzen. De oppervlakte land wordt uitgedrukt in hele hectaren (ha.).
Oppervlakte water Aantal oppervlaktewater in hele hectaren (ha.). Oppervlakte water omvat zowel binnen- als buitenwater. Tot binnenwater wordt gerekend alle water niet onderhevig aan getijden en breder dan 6 meter, zoals het IJsselmeer, Markermeer, Randmeren, sloten, rivieren, kanalen en dergelijke. Onder het buitenwater valt alle water onderhevig aan getijden, zoals de Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde en het gemeentelijk ingedeelde gedeelte van de Noordzee. De oppervlakte water is bepaald door het meest recente digitale bestand Bodemgebruik te combineren met het digitale bestand van gemeente-, wijk- en buurtgrenzen. Het buitenwater is alleen op gemeenteniveau vermeld, water per wijk of buurt bestaat alleen uit binnenwater. De oppervlakte water wordt uitgedrukt in hele hectaren (ha.).
Meest voorkomende postcode Aantal meestvoorkomendepostcode. Meest voorkomende numerieke postcode in een buurt, op grond van het aantal adressen in het Geografisch Basisregister (GBR, definitieve versie) per 1 januari.
Dekkingspercentage Code voor het dekkingspercentage van de postcode. Indicatie (in zes klassen) van het percentage adressen in een buurt met de meest voorkomende postcode. Dit percentage is ontleend aan het Geografisch Basisregister (GBR, definitieve versie). De volgende klassenindeling is gehanteerd:
1: > 90% van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode;
2: 81-90% van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode;
3: 71-80% van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode;
4: 61-70% van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode;
5: 51-60% van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode;
6: 50% of minder van de adressen heeft dezelfde vermelde numerieke postcode.
Mate van stedelijkheid Code voor de mate van stedelijkheid. Op grond van de omgevingsadressendichtheid is aan iedere buurt, wijk of gemeente een stedelijkheidsklasse toegekend. De volgende klassenindeling is gehanteerd:
1: zeer sterk stedelijk >= 2 500 adressen per km²
2: sterk stedelijk 1 500 – 2 500 adressen per km²
3: matig stedelijk 1 000 – 1 500 adressen per km²
4: weinig stedelijk 500 – 1 000 adressen per km²
5: niet stedelijk < 500 adressen per km²
Omgevingsadressendichtheid Omgevingsadressen dichtheid per vierkante kilometer (km2). De omgevingsadressendichtheid (OAD) van een buurt, wijk of gemeente is het gemiddeld aantal adressen per vierkante kilometer binnen een cirkel met een straal van één kilometer op 1 januari. De OAD beoogt de mate van concentratie van menselijke activiteiten (wonen, werken, schoolgaan, winkelen, uitgaan etc.) weer te geven. Het CBS gebruikt de OAD om de stedelijkheid van een bepaald gebied te bepalen. Voor de berekening hiervan wordt eerst voor ieder adres de OAD vastgesteld. Daarna is het gemiddelde berekend van de omgevingsadressendichtheden van alle afzonderlijke adressen binnen
het beschouwde gebied. De adressen zijn afkomstig uit het Geografisch Basisregister van het betreffende jaar (definitieve versie). Dit register bevat alle adressen van Nederland die zijn voorzien van een postcode, gemeentecode en wijk- en buurtcode. De gemeentelijke OAD in deze publicatie wijkt af van de gemeentelijke OAD in de Regionale Kerncijfers Nederland (RKN). In deze laatste publicatie wordt de OAD berekend zonder gegevens over de nieuwe adressen van het betreffende kalenderjaar. Het gemeentelijk cijfer van de OAD in deze publicatie komt overeen met de definitieve OAD in de publicatie Maatstaven ruimtelijke gegevens Financiële verhoudingswet (Fvw)
Gemeentenaam Gemeentenaam. De naam van de bestuurlijke gemeente. Deze naam volgt de officiële schrijfwijze.
Indelingswijziging Een indicator die per wijk en buurt aan geeft of de cijfers zonder problemen kunnen worden gekoppeld aan en vergeleken met de cijfers van een jaar eerder, of dat er wijzigingen in de Wijk- en Buurtindeling zijn waardoor dit niet kan. De indicator kent drie mogelijke waarden: 1: De codering en afbakening van deze wijk/buurt is ongewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar. Het is wel mogelijk dat een naamswijziging heeft plaatsgevonden. 2: De codering van de wijk/buurt is veranderd ten opzichte van het voorgaande jaar. De afbakening is ongewijzigd. Om te kunnen koppelen met cijfers van het voorgaande jaar zal eerst moeten worden achterhaald wat de codering van het voorgaande jaar was. Is de koppeling eenmaal geslaagd dan kunnen de cijfers alsnog met elkaar worden vergeleken. 3: De afbakening van de wijk/buurt is veranderd ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit kan gepaard zijn gegaan met een gewijzigde codering.
Jaar Geeft aan op welk jaar de data van toepassing is.
Min jaar Meest recent jaar waarvoor voor deze regio gegevens bekend zijn Bijvoorbeeld: Spijkenisse is opgegaan in Nissewaard. Voor Spijkenisse zijn gegevens bekend vanaf 2013 tot en met 2014. Voor Nissewaard zijn gegevens bekend sinds 2015.
Max jaar Oudste jaar waarvoor voor deze regio gegevens bekend zijn
€19,95 – Kopen